LEEN VAN TICHELEN

©Leen Van Tichelen

(NL) Structuurwervels, werk van Leen Van Tichelen
Is het tekeningenboek ‘resten van resten’ (Druksel, 2018) van Leen Van Tichelen een werkboek, een summum, een stalenboek, een catalogus? Het is dit alles.
De omslag bevat geen titel, een gehavend blad, een afgetrokken etiket, potloodlijnen, kleur, sneden van een cuttermes. Het boek opent en aan de linkerkant staat geschreven ‘resten van
resten’, rechts een rode pagina waar doorheen het oorspronkelijke papier nog te zien is. Overblijfselen van overblijfselen, artefacten van artefacten – wat kunst is. Nabeelden. Een visuele uiting is een rest van wat geweest is; wat afgebeeld wordt (hetzij figuratief, hetzij abstract) is zelf een deel, of in een lucretiaanse betekenis, een verzameling atomen van een groter geheel. Het meubelstuk is de rest van een boom; het plastic van een chemisch proces; een mens van zijn verleden. Weten dat we resten zijn en dat we daarmee omringd zijn, creëert een zacht kader, niet de wereld is dit van het geweld en de carrière, wel van een bescheidenheid, die nochtans niet de ambitie belet.
De vormen die in dit boek geëxploreerd en ontwikkeld worden, kunnen naar een werkelijkheid verwijzen maar hoeven niet zo begrepen te worden. Ze zijn autonoom omdat ze een
onderliggende beweging tonen. Soms wordt een apart element, een onderdeel (of ‘een rest’) op de pagina getekend, maar nooit staat het op zichzelf, er is een verband met een reeks, en met de reeks die het boek is. De serie, een herhaling van vormen, is in dit boek geen stapeling maar een beweging, steeds verticaal, soms gebogen. Niet enkel de lijn, ook de reeks vormt een boog, een sinus. De vormen zijn gesloten, hebben daardoor een harde kern, dit wordt nog benadrukt door de stevige potloodlijnen en -arceringen. Ze zijn bewerkt, tonen daarmee de tijd die havent en slijt. De materiële uitvoering van het boek volgt ‘dit leven’ (dat steeds beweging is), er is geen poging ondernomen om de bladen ‘op te frissen’. Het werkproces is een essentieel onderdeel van het werk, het boek toont daarmee de beweging van het denken. Is handeling.
Het ritme van het boek is belangrijk, al zijn de tekeningen niet noodzakelijk in deze volgorde gemaakt. Een vorm roept een andere vorm op, verder in het boek worden thema’s terug
opgenomen en uitgewerkt. Er zijn herhalingen die echo’s zijn en een andere weg opgaan. Er is een ritme doorheen het boek, naast het ritme van elk blad, dat door de verticaliteit van het boek, de hoogte lijkt in te gaan – de ruggengraat als de basisstructuur. Dit hangt samen met de tweede beweging, die van het bouwen, het stapelen, het samenvoegen. Beweging wordt wording. De structuren zijn historisch, geworteld in de aardlagen, ademend in de geesten.

Johan Velter februari 2019

(NL) V L U C H T
Museum van Deinze en de Leiestreek
23 juni-3 september 2017

“Dit is waarschijnlijk het geheim: denken kwam er volstrekt niet aan te pas, enkel was er altijd maar
en zonder aarzeling de dringende gewaarwording dat, wat ze je ook proberen wijs te maken,
dingen niet noodzakelijkerwijze zijn zoals je wordt geleerd. Er is zoveel meer mogelijk.
Altijd en op elk gebied. Wij moeten het daarom wel zonder na te denken doen, dat ene wat zij
geen van allen in ons zien, dat ongekende.”
Arthur Japin, ‘De gevleugelde’

Een buitenwereld die overladen is met al te vaak negatieve berichten en beelden vraagt om een catharsis, een esthetische loutering. Uit deze realiteit filtert Leen Van Tichelen (1981) met grote gevoeligheid een persoonlijk verhaal dat ze ontleedt volgens haar eigen abstracte codes. De kunstenaar gaat aan de slag met delicate bouwstenen: papier, textiel, hout. Een nobele ambacht schuilt in deze materialen, die door de natuur geproduceerd maar door de mens bewerkt zijn. De onbevangen combinatie van houten latten, snippers, kopspelden en lappen stof leidt tot verrassende resultaten. Zowel de werken op papier - soms ingekaderd, soms rechtstreeks op de muur bevestigd - alsook de sculpturale installaties verschijnen op organische wijze in de ruimte, haast als wezens of bezielde voorwerpen die hun vleugels uitslaan en een eigen leven gaan leiden.Van Tichelen verknipt en assembleert aldus een geheel eigen universum.
In Van Tichelens artistieke praktijk staat het zoeken gelijk aan het maken. De vormelijke experimenten komen tot stand in reeksen, een naarstig spel van toevoegen, stapelen en verbinden. De kunstenaar gaat op zoek naar structuren en patronen die ze zelf schept of vindt, en vervolgens isoleert of kopieert. Vaak recycleert ze er stukken van in nieuwe werken, waardoor elk kunstwerk in directe verbinding staat met het vorige en het volgende. Van Tichelen verhoudt zich op dezelfde manier tot de tentoonstellingsruimte als tot haar atelier. Via in situ ingrepen gaat ze een directe dialoog aan met de mogelijkheden en beperkingen van de ruimte, waardoor de objecten soms minimaal en bescheiden zijn, maar steeds vaker omvangrijke proporties aannemen.
Zo ook palmt Van Tichelen in het Museum van Deinze en de Leiestreek een volledige zaal in, van muur tot muur, van de vloer tot aan het plafond. De afmetingen van de voormalige erfgoedzaal worden geijkt door een van onder tot boven opgespannen houten structuur die vanuit de grond lijkt op te rijzen tot een onbuigzame ruggengraat. De ruimtevullende installatie gaat de confrontatie aan met de context van het museum met haar labyrintische zalen en de welomlijnde collectie Leieschilders. Aan de houten structuur bevestigt Van Tichelen een groot aantal lappen en stroken van de voormalige vloerbedekking uit haar atelier, die ze recupereert als een nieuwe huid, nauwkeurig aan elkaar gezet met lange stukken tape. De installatie refereert aan een schilderdoek gemonteerd op een houten raamwerk. Van Tichelen lijkt in een grandioze beweging de grond te verheffen tot een groot, glanzend schilderij dat de feitelijke sporen draagt van haar creatie.
V L U C H T is het resultaat van een terugkeer naar de symbolische, maar ook feitelijke basis van haar werk: in de flarden stucloper komen echo’s terug van het werk dat ze de voorbije vijf jaar produceerde. Onderweg vervaardigde de kunstenaar collages en installaties, en ontmantelde ze deze vaak terug, om vervolgens de onderdelen te recuperen, te verzamelen en te bewaren. Deze installatie brengt al deze vormelijke en inhoudelijke producten samen, waardoor V L U C H T nog het meest doet denken aan een meer-dan-levensgrote driedimensionale collage van ideeën en verhalen. De installatie richt zich op, majestueus en kordaat, om de vleugels uit te slaan naar de onmetelijke einder buiten. Maar V L U C H T hangt, in haar kwetsbaarheid, nog steeds gevangen in haar eigen structuur, verankerd aan de grond. Deze vlucht is een ontsnapping, en refereert tegelijk aan de spanwijdte tussen de twee uiterste punten van de vleugels van een vogel - het losbreken uit de ketens, het summum van vrijheid.
De installatie biedt in een groot gebaar een weerwoord aan Ten birds falling down in four different ways, een reeks bestaande uit 40 ingekaderde papieren collages. Van Tichelen verkent hierin de vorm van tien verschillende vogels in vier wisselende neerwaartse bewegingen. De vogel stijgt op maar valt terug neer - bewust of onbewust, steeds onder invloed van externe krachten die hem trekken of duwen. Van Tichelen vertaalt haar eigen ervaring van de werkelijkheid als een eindeloze strijd, een weg vol hindernissen maar steeds met een duidelijk doel voor ogen: almaar hoger klimmen om uiteindelijk uit haar voegen te barsten en los te breken.
Ter gelegenheid van deze tentoonstelling creëerde Leen Van Tichelen twee multipels, een verderzetting van de eerdere editie Ten birds falling down in four different ways. In een totaal van twee keer tien exemplaren experimenteert Van Tichelen met twee valbewegingen, vergelijkbaar met de vormelijke observaties van zowel de installatie als de reeks collages. De multipels worden gepresenteerd in de vitrinekast aan de inkomhal van het museum. Ze zijn zijn verkrijgbaar bij de kunstenaar, die via het museum gecontacteerd kan worden.

Melanie Deboutte, 2017

(NL) Klik hier voor: het leven bewegen/ 10 september 2017/ SFCDT - Johan Velter

(NL) klik hier voor: radiointerview Tumult Gent nav De witte muur in Sphinx

(E) Art generates freedom. It is the artist who is capable of venturing out of society, who takes the risk and leaps into the unknown world of the subconscious. The artist does something another would never do: he creates an object in which he brings together the most special, rare and valuable desires, frustrations, emotions and thoughts. Then he slowly transfers it back to the world. Art is also more than this interpersonal and cultural communication. Art moves on the waves of constant regenerative processes: the artist creates his own world - a microcosm in the macrocosm. He even tries over and over to surpass himself herein. This struggle escalates into a series of works, forming an entire oeuvre.

The stories and messages that seep in from the outside world, function as direct artistic stimuli for Leen Van Tichelen. She narrows this information to a personal story, which she then decomposes, by her own abstract codes. An outside world that is loaded with often negative messages and images requires an aesthetic catharsis. Van Tichelen’s pieces want to bring back something beautiful into the world.

Leen Van Tichelen’s oeuvre balances on two extremes: on the one hand there are the drawings and paintings in dark ink shades, on the other hand the lighter colors, the silver and the installations that seem to (almost) leave the wall and occupy the surrounding space. The artist chooses delicate elements: paper, textiles, wood. A kind of noble craft lies in these materials that were produced by nature but have been processed by man. The uninhibited combination of paper chips, head pins, thread and pieces of cloth results in surprising shapes and structures. Both the works on paper - sometimes framed, at other times attached directly to the wall - as well as the sculptural installations appear organically, almost as animate beings or objects that spread their wings and live their own lives.

The artist explores structures and patterns, which she creates herself or just ends up finding, isolating or copying. Often, even the floor of her studio - full of accidental splashes and scratches - is recycled into new works. Van Tichelen relates in a similar way to the exhibition space as she does to her studio. Via in situ interventions she engages in a direct dialogue with the possibilities and limitations of the space. The objects are therefore often minimal and modest, but frequently reach from the floor to the ceiling as well.

The artistic practice of Leen Van Tichelen is powered by a playful pleasure. The search overlaps the creation. "It just comes out of my body," the artist would say, but she prefers demonstrating it. The formal experiments develop in series, a diligent play of adding and stacking. Van Tichelen continues until she has tested all possibilities. Van Tichelen’s oeuvre unfolds as a bobbin, a spool of undiscovered escapades and adventures.

Melanie Deboutte, September 2016

(NL) Kunst genereert vrijheid. Het is de kunstenaar die buiten de maatschappij kan en durft treden, die risico’s neemt en de sprong waagt naar een onbekende en onderbewuste dimensie. De kunstenaar doet iets dat een ander nooit zou doen: hij creëert een voorwerp waarin hij de meest bijzondere, vreemde en waardevolle verlangens, frustraties, emoties en gedachten samenbalt. Vervolgens brengt hij dit langzaam terug binnen in de wereld. Kunst is echter ook meer dan dit intermenselijk en cultureel communiceren. Kunst beweegt op de golven van constante, regeneratieve wordingsprocessen: de kunstenaar creëert een geheel eigen wereld - een microkosmos in de macrokosmos. Hij tracht zichzelf hierin ook keer op keer te overtreffen. In het beste geval escaleert dit in een aaneenschakeling van werken tot een oeuvre.

De verhalen en berichten die uit de buitenwereld binnensijpelen, fungeren voor Leen Van Tichelen als directe artistieke prikkels. Hieruit filtert ze een persoonlijk verhaal dat ze vervolgens ontleedt volgens haar eigen abstracte codes. Een buitenwereld die overladen is met al te vaak negatieve berichten en beelden vraagt om een catharsis, een esthetische loutering. Via haar werk wil Van Tichelen iets moois teruggeven aan de wereld.

Leen Van Tichelens oeuvre balanceert op twee uitersten: enerzijds zijn er de tekeningen en schilderijen in donkere inkttinten, anderzijds de lichtere kleuren, het zilver en de installaties die de muur (bijna) verlaten en de ruimte innemen. De kunstenaar gaat aan de slag met delicate bouwstenen: papier, textiel, hout. Een soort nobele ambacht schuilt in deze materialen, die door de natuur geproduceerd maar door de mens bewerkt zijn. De onbevangen combinatie van snippers, kopspelden, garen en lappen stof leidt tot verrassende vormen en structuren. Zowel de werken op papier - soms ingekaderd, soms rechtstreeks op de muur bevestigd - als de sculpturale installaties verschijnen op organische wijze in de ruimte, haast als wezens of bezielde voorwerpen die hun papieren vleugels uitslaan en een eigen leven leiden.

De kunstenaar gaat op zoek naar structuren en patronen die ze zelf schept of gewoon vindt, isoleert of kopieert. Vaak wordt zelfs de vloer van haar atelier - vol toevallige spetters en krassen - deel van haar werk, en recycleert ze er stukken van in nieuwe werken. Van Tichelen verhoudt zich op dezelfde manier tot de tentoonstellingsruimte als tot haar atelier. Via in situ ingrepen gaat ze een directe dialoog aan met de mogelijkheden en beperkingen van de ruimte, waardoor de objecten soms minimaal en bescheiden zijn, maar vaak ook van de vloer tot aan het plafond reiken.

De artistieke praktijk van Leen Van Tichelen wordt aangedreven door een speels genoegen. Het zoeken staat gelijk aan het maken. “Het komt gewoon uit mijn lijf,” zou de kunstenaar je zeggen, maar ze toont het je liever. De vormelijke experimenten komen tot stand in reeksen, een naarstig spel van toevoegen en stapelen. Van Tichelen gaat door tot ze alle mogelijkheden heeft uitgetest. Op die manier ontspint Van Tichelens oeuvre zich zowaar als een bobijn, een klos vol onontdekte uitspattingen en avonturen.

Melanie Deboutte, september 2016

(E) The oeuvre of Leen Van Tichelen starts from a confrontation with the ugliness and horror of our society. The works interiorise into dark and gloomy reflections. The personal visual language of Van Tichelen refers to the dark-side of mankind and counters the horror with (subtle) beauty. The artist purifies confronting images into unsoiled and abstract shapes. Common materials form the basis of her installations. Paper sculptures playfully unfold and multiply in space.

(NL) Het werk van Leen Van Tichelen onstaat uit een confrontatie met de lelijkheid en de gruwel van onze samenleving. Een oeuvre dat zich enerzijds naar binnen keert. Dit vertaalt zich in sombere, donkere werken. Een persoonlijke beeldtaal die refereert naar de duistere kant van de mens. Maar gruwel kan ook bestreden worden met (lichte) schoonheid. De kunstenares sublimeert confronterende beelden in pure en abstracte vormen. Eenvoudige materialen vormen de basis voor installaties. Sculpturen in papier die zich speels ontvouwen en vermenigvuldigen in de ruimte.

Petja Gekiere - 2015

(E) In Extenuation

Leen Van Tichelen’s ‘Black Brains’ draw us into the plumbless depths of the human brain. Sliced cerebral hemispheres, spread out on a sheet of paper. Forms are changing, lessening, enlarging, bulging or shrivelling. The ‘Black Brains’ are painted in gloss paint and they glitter, as if covered in pitch. Nuanced shades of pink refer to a presence of human flesh.
The combination of the 27 ‘Black Brains’ resemble a blown-up Rorschach test. An infinite number of denotations and emotions can be projected onto the varying stains.
What is that moves Van Tichelen – as an artistic Vesalius - to show us the human brain?
It is the digging into the minds, the brains of those who cause suffering. Series of the brain of serial killers.
Serial killers capable of murdering and wounding.
Neurocriminologists agree about the fact that the brains of psychopaths show aberration. In Van Tichelen’s work, that insensitivity to the evil is converted into a fixed, pitch-black layer - or the constancy of blackness. The series show a great variation and susceptibility to form and a subtle use of a frugal range of shades.
We live in dark ages. How many steps have been taken since the dark Middle Ages of Huizinga?

‘Times full of terror, doing everything the wrong way,
centuries of lies, full of haughtiness and envy,
times without honour nor true verdict,
centuries in sadness, which shortens life.’
(Johan Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen)

We are made spectators of evil by means of the media. Images of newspapers and on TV, images of horror and misery stick to the artist.
How sinister have we become to watch these images in an almost indifferent way, and then, as if detached, zap away from them? Do we really think we can get away with it?
Is there a possibility that our heart, our liver, lungs and brains are fictitiously soot-covered?

The installation ‘Black Backbone’ revealed collages, fixed in wooden frames, in Croxaphox. Within, there are human parts, disproportionate to the frames: a stomach, brains, a backbone,…
Sensational forms, created by different kinds and pieces of torn paper. The frames make us think of private rooms, medical practices, waiting spaces.
In this case, blackness sticks to backbone and lungs. In subtle distinction, soot has been fixed, charcoal has been scratched and rubbed over.
Our spine, hauling everything, keeping our upright posture, has been seized. Van Tichelen is drawn into the abyss of agony, because of watching it too close.

Wenn du lange in einen Abgrund blickst, blickt der Abgrund auch in dich hinein.’
(Friedrich Nietsche, Jenseits Gut und Böse)

But the oeuvre also comprises lighter and more hopeful work. In the room, she stretches threads as light as gossamer. Routes of escape with cut-outs of stars, flowers, patterns of silver on their way. Her collages of fragile, lost wings – ‘Lost Wing’ – also evoke the desire to fly. An oeuvre which literally shines at the showing of powerful forms.

Entering the minds of the suffering ones, as the artist does, is overtaxing. One has the urge to sympathise, but also to flee, escape, look for something better, exactly as the hurt ones. One peers at the heavens, looking for that one silver star that will lead one the way to a better place.
The artist escapes, but only to return something more beautiful, images full of soot and tears are being sublimated into pure and abstract forms.

Van Tichelen is wondering where the empathy has gone of those surrounding her. We are constantly drawing the lines of our gardens, houses, countries, of our Europe, of the places to ourselves, in which life is kind.
But what happens when you – by chance - were born on the wrong side of that line? How do we justify the fact that we prohibit another human being to cross a boundary, an imaginary line, looking for that one silver star?

She tries to answer those questions in the installation ‘In extenuation’.
Wooden frames lined up as a high wall in the room. A wall, a fence, barbed wire, a boundary. Playing with simple materials makes us think of Arte Povera. Again, the art of cutting and recomposing is the point of departure.
In the windows of the frames we no longer perceive collages made of paper, but of cloth. Just as the way Veronica’s cloth caught tears and blood, also these cloths are able to bring soothing. Van Tichelen grasps for cloths that refer to (her) motherhood. Cloth, reusable diapers, washed, bleached, held innumerable times.
Torn cloths are being fastened in a window and stitched coarsely. A translucent painting arises. A multiple of white.
Between pillars, stretched threads, pulled tight. A tight barbed wire of coloured wool this time. The fleeing one will not be blocked by this barrier any longer, he will be welcomed in a soft way.

Leen Van Tichelen’s oeuvre is an invitation to watch the suffering of our times from a different perspective.

Petja Gekiere - januari 2016
Sarah Vandenbulcke – translation

(NL) Onder Verzachtende Omstandigheden

De ‘Black Brains’ van Leen Van Tichelen zuigen ons in de peilloze diepte van het menselijk brein. Opengesneden hersenhelften spreiden zich open op een blad. De hersenvormen veranderen, verkleinen, worden groter, zwellen of verschrompelen. De ‘Black Brains’ zijn geschilderd met gloss verf en blinken alsof ze bedekt zijn met een laag pek. Kleine nuances van roze verwijzen naar een aanwezigheid van menselijk vlees.
De combinatie van de 27 ‘Black Brains’ lijken een uitvergrote Rorschachtest. We kunnen oneindig veel betekenis en gevoelens projecteren op de veranderende vlekken.
Wat drijft Van Tichelen om als een artistieke Vesalius het menselijk brein aan ons te tonen?
Ze graaft in de geesten, de hersenen van diegene die lijden veroorzaken. Series van het brein van serial killers.
Serial killers die in staat zijn om te moorden en te verwonden. Neurocriminologen zijn het erover eens dat de hersenen van een psychopaat afwijkingen vertonen. Bij Van Tichelen wordt die ongevoeligheid voor het kwaad vertaald in een gitzwarte laag die zich vastzet. Het zwart is de constante. De serie toont een grote variatie en gevoeligheid voor vorm en een subtiel gebruik van een sober kleurenpalet.
We leven in een donkere tijd. Hoeveel stappen zijn er gezet sinds de duistere middeleeuwen van Huizinga?
‘Tijd vol gruwel, die alles verkeerd doet,
eeuw van leugen, vol hoovaardij en nijd,
tijd zonder eer en zonder juist oordeel,
eeuw in droefheid, die het leven verkort.’
(Johan Huizinga, Herfsttij der Middeleeuwen)

De media maken ons allen toeschouwer van het kwaad. Het zijn beelden in kranten en op TV, beelden van gruwel en ellende die bij de kunstenaar blijven plakken.
Hoe duister zijn wij allen geworden dat we quasi ongevoelig beelden bekijken en die zonder emotie weer wegzappen? Denken we hiermee weg te komen? Zou er bij elk van ons geen denkbeeldige roetfilter van dit alles blijven plakken aan ons hart, lever, longen en hersenen?
De installatie ‘Black Backbone’ toonde collages in Croxaphox vastgezet in getimmerde kaders. In de kaders buitenproportionele menselijke onderdelen: een maag, hersenen, een ruggengraat,…
Sensationele vormen gecreëerd met verschillende soorten en stukken gescheurd papier. Het timmerwerk roept besloten kamers op, dokterskabinetten, wachtruimtes.
Het zwart kleeft hier aan de ruggengraat en de longen. Het roet is met veel nuance aangebracht, houtskool is gekrast en uitgewreven.
De ruggengraat die alles moet torsen, die ons recht moet houden is aangetast. Het kijken in de afgrond van het lijden zuigt Van Tichelen mee.
‘Wenn du lange in einen Abgrund blickst, blickt der Abgrund auch in dich hinein.’
(Friedrich Nietsche, Jenseits Gut und Böse)

Het oeuvre bevat ook werk dat lichter en hoopvoller lijkt. Ze spant ragfijne draden in de ruimte. Vluchtroutes met op hun weg cut-outs van sterren, bloemen, patronen in zilver. Haar collages van fragiele verloren vleugels -‘Lost Wing’- roepen eveneens het verlangen om te vliegen op. Een oeuvre dat letterlijk uitblinkt in het tonen van krachtige vormen.
Wanneer je zoals de kunstenaar in het hoofd kruipt van degene die lijdt, vraagt dit ontzettend veel. Je wil mee voelen maar ook net als zij die getroffen zijn weglopen, vluchten, zoeken naar iets beter. Je staart de hemel af op zoek naar die ene zilveren ster die je zal leiden naar een betere plaats.
De kunstenaar vlucht weg om iets mooiers terug geven, beelden vol roet en tranen worden gesublimeerd in pure en abstracte vormen.

Van Tichelen vraagt zich af waar de empathie is bij hen die haar omringen?
Wij trekken grenzen rond onze tuin, ons huis, ons land, ons Europa, de plaats van ons alleen waar het goed leven is.
En wat als je toevallig aan de verkeerde kant van die grens geboren bent? Waar halen wij het recht om een ander mens te verbieden een grens, een denkbeeldige lijn te kruisen op zoek naar de zilveren ster?

In de installatie ‘Onder Verzachtende Omstandigheden’ probeert ze hierop een antwoord te bieden.
Timmerwerk opgesteld als een hoge wand in de ruimte. Een muur, een hek, prikkeldraad, een grens. Het spel met eenvoudige materialen doet denken aan de Arte Povera. Het versnijden en terug samenstellen vormt hier opnieuw het uitgangspunt.
In de ramen van het timmerwerk zien we niet langer collages van papier maar van doeken. Als het doek van Veronica tranen en bloed opving, kunnen ook deze doeken verzachting brengen. Van Tichelen grijpt naar doeken die refereren naar haar moederschap. Tetra-doeken, herbruikbare luiers, afgewassen, gebleekt, ontelbare keren vastgehouden.
In een raam worden de gescheurde doeken terug aan elkaar vastgemaakt en met grove steken genaaid. Er ontstaat een lichtdoorschijnend schilderij. Een veelvoud aan wit.
Tussen de pijlers gespannen draden. De draden staan strak. Een strakke prikkeldraad dit keer van gekleurde wol. Deze barrière zal degene die vlucht niet langer tegenhouden maar op een zachte manier verwelkomen.
Het oeuvre van Leen Van Tichelen is een uitnodiging om vanuit een ander perspectief te kijken naar het lijden van onze tijd.

Petja Gekiere - januari 2016